Aardappeloproer - 29 juni t/m 2 juli

Het aardappeloproer nader belicht

“Aan de Rietlanden staan wagons met aardappelen! We gaan ze halen!!!”

Vrouwen wachtend voor slagboom bij de Rietlanden.jpg

Op het jaarlijks terugkerende buurtfeest Patatatoe wordt op een ludieke manier het Amsterdamse aardappeloproer herdacht door tijdens een feestelijke optocht aardappels uit te delen aan de hele buurt. Tijdens het echte aardappeloproer in 1917 ging het er heel wat minder ludiek aan toe. Bij de verschillende oploopjes in de Jordaan en op de Oostelijke Eilanden werd er destijds door de politie en het leger met scherp geschoten en er kwamen tien mensen om. Daarnaast waren er meer dan honderd gewonden. Wat gebeurde er precies in de zomer van 1917?

Titia Koerten

Als in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, blijft Nederland neutraal. Dat betekent echter niet dat de bevolking geen nadeel van de gebeurtenissen ondervindt. De buitenlandse handel valt weg doordat de ons omringende landen met elkaar in gevecht zijn. Hierdoor worden de eerste levensbehoeften schaars en de prijzen lopen enorm op. De huren stijgen en ook de werkloosheid neemt toe. De armste buurten in Amsterdam, de Jordaan en de Oostelijke Eilanden, hebben het zwaarst te lijden. Vanaf 1916 nemen de sterftecijfers van met name vrouwen en kinderen ten gevolge van ondervoeding en tuberculose, dan ook schrikbarend toe.

Om ervoor te zorgen dat het schaarse voedsel evenredig onder de bevolking kan worden verdeeld, ziet de minister van Landbouw, F. Posthuma, zich genoodzaakt distributiewetten in te voeren. De minister is door het nemen van dergelijke maatregelen verre van populair onder bevolking en is dan ook vaak het mikpunt in spotliedjes. Op de Oostelijke Eilanden zingen ze bijvoorbeeld: “Posthuma zijn vrouw is dood, is gestikt in vier ons brood” Volgens de bevolking worden de goede etenswaren verhandeld naar het buitenland en het voedsel van slechte kwaliteit blijft over voor de bevolking.

Vanaf 1916 begint de bevolking pas goed de gevolgen van de oorlog te merken. De winter van 1916-1917 is bijzonder streng en voor je portie brandstof moet je uren in de rij staan in de bijtende kou. Brood wordt begin 1917 gerantsoeneerd met vier ons per dag per persoon. Het brood dat van overheidswege wordt verstrekt bevat leng, een bacterie in het meel dat het brood tijdens het bakken verandert in een zure, draderige substantie. In juni 1917 is de grens bereikt: vrouwen uit de armste buurten organiseren hongertochten. Groepen vrouwen van soms wel meer dan honderd personen trekken de stad door om te kijken wat er in pakhuizen en dekschuiten ligt opgeslagen aan voedsel. Als een van de deelnemers vermoedt dat er ergens vlakbij levensmiddelen te vinden zijn, stuiven ze erop af.  Ze zijn wanhopig, ten einde raad, maar vooral strijdbaar.

En dan de aardappel. Een maaltijd zonder aardappelen is ondenkbaar. In de armste gezinnen zijn aardappelen de voornaamste voedselbron. Er verschijnt slechts mondjesmaat groente op het menu en vlees is er vrijwel nooit. Vrouwen uit de gegoede klasse proberen door middel van kookdemonstraties arbeidersvrouwen warm te krijgen voor het gebruik van peulvruchten en rijst, om zo minder afhankelijk te zijn van de steeds minder goed verkrijgbare aardappel. Daarnaast is er nog de Centrale Keuken waar je voor een klein bedrag een verantwoorde maaltijd kunt krijgen. Arbeidersvrouwen vinden deze bemoeienis met hun eetpatroon bevoogdend en het wekt irritatie op. De Centrale Keuken, ook wel schamper “De Centrale Trog” genoemd, blijft dan ook vaak zitten met gerechten met rijst en peulvruchten.

 

Donderdag 28 juni; we willen aardappelen, geen rijst

Om negen uur ’s ochtends is er op de Amsterdamse Groentemarkt geen aardappel meer te krijgen. De oude oogst is vrijwel op en de nieuw geoogste aardappelen zijn nog niet beschikbaar. Er wordt gefluisterd dat de nieuw geoogste aardappelen bestemd zijn voor uitvoer naar het buitenland. Er gaan geruchten over groenteboeren die mandjes aardappelen achterhouden voor hun vaste klanten. Op diezelfde dag ligt aan de Prinsengracht een dekschuit met aardappelen afgemeerd, bestemd voor het garnizoen soldaten dat in Amsterdam is gelegerd. Een groep vrouwen loopt door de stad en ziet de schuit liggen. De aardappels liggen open en bloot en de vrouwen zien hun kans schoon. Ze intimideren de bewakers van de boot en in een mum van tijd is de schuit leeggehaald en lopen de vrouwen met de aardappels in hun schorten naar huis. Diegenen die te laat komen, vormen een groep en gaan op zoek naar pakhuizen waar misschien aardappels kunnen liggen en proberen die open te breken. De politie probeert in te grijpen en gaat met de vrouwen in gesprek. Daarop besluit een aantal vrouwen om onder politiebegeleiding naar het gemeentehuis te gaan om hun beklag te doen over hun situatie. De aanwezige wethouders vertellen dat zij zojuist per telegram aan de regering hebben verzocht om onmiddellijke hervatting van de rantsoenering en om een rechtvaardige verdeling van aanwezige voorraden. De vrouwen wordt op het hart gedrukt dat ze vertrouwen moeten hebben in het gemeentebestuur, er wordt aan gewerkt en tot die tijd moeten de vrouwen zich nog even behelpen met rijst en erwten. Daarop zegt een van de vrouwen: “Als ik me man dat voorzet krijg ik op me donder!”

Zaterdag 30 juni

Op zaterdagochtend 30 juni vertrekt wederom een delegatie van wel meer dan 500 vrouwen, dit keer van de Oostelijke Eilanden, naar het gemeentehuis om hun beklag te doen over de schamele portie aardappelen die hun is toebedeeld. Per gezin nog geen kwart kilo en de aardappels zijn bevroren geweest en dus in slechte staat.  De burgemeester zegt dat de aardappelen als je ze kookt nog wél goed zijn. Daarop neemt mevrouw P. van Stek-Punt uit de Blankenstraat zo’n aardappel in de hand en knijpt hem uit boven het bureau van de burgemeester met de woorden: “Rauw heb ik ze nog nooit gegeten.”  De dames besluiten naar de Rietlanden te gaan, waar ze treinen met aardappelen bestemd voor het buitenland weten te staan. Onderweg sluiten veel vrouwen zich bij de groep aan en ze scanderen: “Aan de Rietlanden staan wagons met aardappelen!!! We gaan ze halen!”

Als de politie de groep vrouwen in de verte aan ziet komen laat een van hen snel de slagboom bij de overweg aan de Cruquiusweg zakken. De vrouwen dringen aan achter de slagboom en de dienstdoende inspecteur van de politie, dhr. Joosten, besluit dan om de aardappelen uit de een van de wagons te verkopen:  Per 2 kilo voor de op dat moment gangbare prijs desnoods op krediet. Voorwaarde is wel dat één vrouw ervoor moet zorgen dat alles ordelijk verloopt. De vrouw die zich opwerpt is P. van Stek-Punt uit de Blankenstraat die ’s ochtends ook al aanwezig was op het gemeentehuis. Zij is een vertrouwd gezicht in de buurt, zit in de oudervereniging van de Oosterspeeltuin en heeft dus organisatietalent en overwicht. Ze is een potige vrouw die overal op afgaat. Op de foto die verschijnt in weekblad Het Leven, staat zij afgebeeld voor de slagboom met haar handen op de rug. Het lijkt alsof ze is geboeid, maar de sfeer is echter verre van grimmig. De vrouwen staan lachend achter de slagboom en de agenten poseren ontspannen voor de foto. Niets op deze foto doet vermoeden dat de zaak later in de week nog uit de hand zal lopen.

Maandag 2 juli 1917 van relletjes naar oproer

Maandagmiddag verzamelen meer dan 1000 vrouwen zich op de Dam voor een demonstratie. Er sluiten zich ditmaal ook jongens en mannen aan en er zijn inmiddels ook uit solidariteit stakingen uitgeroepen bij o.a. De Koninklijke Lloyd.  De stoet zet zich in beweging richting de Jordaan. Hier loopt het uit de hand. De menigte valt uit elkaar en groepjes vrouwen breken pakhuizen open en plunderen dekschuiten. De voorhoede wordt toegesproken door socialistische leiders en wordt opgeroepene om naar huis te gaan. De massa trekt echter haar eigen plan. De politie heeft het niet meer in de hand en voert verschillende charges uit. De onrust verplaatst zich vervolgens naar de Oostelijke Eilanden. Op de Oostelijke handelskade worden stilstaande treinen en pakhuizen geplunderd door groepjes vrouwen. Als de politie verschijnt worden zij bekogeld met grote stenen en er is een barricade opgericht van trottoirbanden. De politie moet zich noodgedwongen terugtrekken naar het Kattenburgerplein. en dan besluit de hoofdcommissaris militaire versterking te vragen.. Omdat het in de Czaar Peterstraat op dat moment ook onrustig is, wordt besloten om via de Czaar Peterstraat richting de Oostelijke Handelskade op te trekken. Als de militairen de straat in lopen wordt de doorgang echter belemmerd door een grote menigte toegestroomde mensen. De militairen sommeert de mensen hun ramen te sluiten, maar er wordt teruggeroepen: “Moordenaars , gooi je geweren neer.” Mevrouw van Stek-Punt uit de Blankenstraat is ook weer aanwezig. Volgens ooggetuigen gaat zij voor de soldaten staan, trekt haar bloes open en roept: “soldaat schiet, maar vreten motten we hebben voor onze kinderen.” De militairen krijgen bevel om op de bevolking te schieten maar weigeren dit. Later verklaart een van de militairen voor de krijgsraad dat hij niet wilde schieten omdat het goed mogelijk was dat zijn vader of moeder zich onder de oproerkraaiers bevond. Veel van de dienstplichtige militairen waren namelijk afkomstig uit Amsterdam.

3 en 4 juli

De politie en militie worden door de bevolking uit de arbeidersbuurten meer en meer getart en uitgedaagd. En het gaat allang niet meer alleen om aardappelen. Inmiddels zijn ook de zogenaamde ‘spekkarren’ die met varkensvlees naar het abattoir rijden een doelwit en worden er schoenwinkels en sigarenwinkels geplunderd. Na het debacle in de Czaar Peterstraat worden er dienstplichtigen van elders gehaald die wel met scherp schieten. Als de eerste doden vallen, vaak onschuldige voorbijgangers die toevallig in de buurt waren, verandert de stemming onder de oproerkraaiers en verflauwt het animo om te plunderen.

Op donderdagochtend 5 juli krijgt Amsterdam tenslotte vijfduizend hectoliter aardappelen binnen. Voldoende voor een rantsoen van een half kilo per persoon. De rondtrekkende vrouwen keren terug naar hun huizen en de stakers gaan weer aan het werk. De problemen rond de voedselschaarste zijn hiermee nog niet van de baan.. Zo gaat bijvoorbeeld in 1918 het broodrantsoen naar twee ons per persoon per dag en daarop volgen nog het broodoproer en de Spaanse griepepidemie. De wapenstilstand van november 1918 komt geen minuut te vroeg.

 

Literatuur:

Anne Petterson, Aardappelnood. Amsterdamse arbeiders en het socialisme tijdens het aardappeloproer van 1917, doctoraalscriptie, 2008.

Mieke Krijger, ‘Het Boezelaarsoproer’ NRC Handelsblad, 18 juni 1988.

Mieke Krijger, ‘Het aardappeloproer in 1917’, Armamentaria 39, Jaarboek Legermuseum, 2004-2005.

Ronald van der Wal, Of geweld zal worden gebruikt! Militaire bijstand bij de handhaving en het herstel van de openbare orde 1840-1920, Hilversum, 2003.